|
Geschreven door Adrie van Diemen
|
|
donderdag, 17 april 2008 23:53 |
In het Tourpeloton valt geen triple crank te bekennen. Hebben de profs hem niet nodig? Laten we er eens wat berekeningen op loslaten. We nemen de klimtijd op Alpe d’Huez als voorbeeld. Die col hoort met zijn gemiddelde stijgingspercentage van 7,9 tot de steilste beklimmingen in de Tour.
Armstrong realiseerde in de klimtijdrit in 2004 een gemiddelde van 22 km/u. Als hij een verzet gebruikte van 39x21 moest hij circa 88 omwentelingen per minuut maken. Een triple had hij dus zeker niet nodig. De langzaamste renner reed maar 16,9 km/u gemiddeld. Bij een verzet van 39x21 is dat zo’n 68 omwentelingen per minuut, waarschijnlijk niet optimaal. Gelukkig kon hij bijvoorbeeld ook met 39x25 omhoog rijden en 80 omwentelingen per minuut maken, een mooie trapfrequentie bergop voor veel profs. En te realiseren zonder triple. Het zou anders zijn als de Tourorganisatie zulke steile klimmen opnam als de Monte Zonclan in de Giro van 2007 (11,5 procent gemiddeld). Daar lieten de coureurs vooraf een compact cranck monteren, zodat ze met 36x29 of 34x29 (Campa) omhoog konden. Terwijl de snelsten een gemiddelde van 15 km/u haalden, zag je anderen ‘sterven’ onder de 10. Hadden die een triple gehad, dan hadden ze zowel in de klim een iets gunstiger verzet kunnen kiezen, als in de relatief vlakke aanloop. Bron: Fiets Tourbijlage 2007, Sanoma Men's Magazines
Enfin, dat zijn de profs. Voor ons mindere goden is dat extra schakelmoment een zalving tijdens de teloorgang op de Drolenval of de muur van Huy. En dan zwijgen we nog over die stukjes asfalt waar ons voorwiel de vaste grond dreigt te verlaten zoals ons op Thier de Nonceveux overkwam. Ons devies voor de sportieve amateurenner is dan ook: neem voor de Ardennen een compact of toch maar gewoon een triple!
|