Is het u ook al opgevallen hoeveel fietsers op een mooie zondagvoormiddag door de Vesdervallei rijden? Zijn dat allemaal Luikenaars die via Chenée de vallei binnenrijden, in Verviers op een terras een Chimay gaan drinken en tegen de middag bij moeder de vrouw de benen onder de tafel steken voor een bord boulets Liégeoises?
Neen, er zijn ook de verkenners, de kuitenbijters en de Houtepen-aanhangers die de vallei benutten om zich naar de voet van de meest onooglijke weggetjes te begeven om zichzelf vervolgens aan hun zelfgekozen strafregime te onderwerpen.De Walen mijden volgens mij deze weggetjes, kennen ze wellicht niet eens. Tik op Google-afbeeldingen eens Oude Kwaremont, Dode Man, Tre Cime of Mont Faron in en je kunt kiezen tussen tientallen prachtige foto’s, getrokken vanuit elke mogelijke invalshoek. Tik Casmatrie, Drolenval of Voie Collas in en je vindt hoogstens een verslag van de raadszitting van een of andere Vesder-gemeente die beslist om het wegdek op die plek voor de zoveelste keer met een kruiwagen asfalt op te vrolijken.
Eén van die onooglijke weggetjes is de Voie Collas in Nessonvaux. Ik leerde haar (voie is vrouwelijk!) kennen op de site van Houtepen, stelde haar beklimming vervolgens nog ongeveer een jaar uit, maar besliste vorige zondag dat ze eraan moest geloven. Ik reed vanuit de vallei behoedzaam langs de Ry de Vaux richting Olne, en zag na enkele honderden meters aan m’n rechterhand de Voie Collas schuin omhoog lopen. Ik hield tot dat moment nog een slag om de arm, maar ze zag er eigenlijk wel vriendelijk uit, dus ik waagde het er op. De eerste honderden meters vielen mee: steil, maar te doen op de 42. De typische Waalse huizen langs de weg leidden de aandacht nog even af van de matige toestand van de weg. Het onvermijdelijke keffertje zat gelukkig achter een verroest hekje en het schoot lekker op. Bij de laatste huizen echter werd het wegdek slechter en na een rechtse bocht zag je plots de Ry niet meer. In plaats daarvan dook de zoveelste muur op waarop Houtepen een patent lijkt te hebben. Hier moest de ketting op de 32!
In de jaren ‘90 maakte ik er een sport van om vanuit Kanne telkens via een andere weg naar Banneux en terug te rijden. Ik kende toen minstens 10 varianten tussen Jeker en Vesder. Zo ontdekte ik destijds onder andere Lorette, Sur Steppes en Hansez, maar waar ik ophield, is Houtepen verder gegaan. Hij heeft het zoeken van dit soort weggetjes tot een vorm van kunst verheven, en het dient gezegd: hier heeft hij weer een pareltje ontdekt. Na een kleine kilometer zwoegen, waarbij de ketting op de 32 blijft, kom je boven op de kam waar je van een schitterend uitzicht over de Vesder kunt genieten, voorzover de zwarte vlekken voor de ogen dit niet verhinderen. De afdaling brengt je via een trosje nieuwere huizen (wie haalt het in zijn hoofd hier te bouwen?) aan de voet van de Bois d’Olne, of verder omlaag terug in Nessonvaux, waar je je bij de Luikenaars kunt aansluiten of bij de kerk rechtsop de Hansez kunt aanvatten, maar daarover later meer…
Noot van de redactie : benieuwd naar diegene welke u reeds voor gingen , klik dan hier.

Mijn gesneden schaduw vermengd zich met mijn angstvallig zweet des aanschijn als ik in mijn ooghoeken m’n mederijder in soepele tred van me zie wegdansen in een stijl die , al zou hij er enig pijn aan beleven ,de 21% makkelijk zou verbloemen.
Bij het beklimmen van “Le veille” schiet me een beschrijving van een andere auteur op deze site te binnen. In een artikel van Roger Thijs over de “Hel van Houtepen” in het blad Fiets beschreef hij een beklommen klimmetje als een door Tsjetsjeense rebellen kapot geschoten Ski schans. Precies dit gevoel bekruipt me terwijl ik een weg zoek tussen het betere stuck en plakwerk van de plaatselijke beambten. Het zal wel een vrijdag-na-de-middag klusje van een onwillige stagiaire zijn geweest. die nog wat koud betume in een emmertje op de wagen had liggen. Bij sommige “aanvullingen” is waarschijnlijk nog niet de moeite genomen om er met een schop of voet er enig sinds een wegdek van te boetseren.
Het gevoel van een Skischans is niet ongegrond. De schansspringer begint echter met de hoogste percentages om de vaart te vermeerderen. Bij de beklaagde coureur neemt de trekkracht van de zwaartekracht echter onevenredig toe . Langzaam maar zeker bekruipt je het gevoel of de helling je in het ootje neemt. 15 % wordt 16 en 16 loopt stilletjes uit naar 18 %. En net als je denkt dat er enig licht aan de horizon schijnt doemt achter de laatste bocht dan eindelijk de muur van 21 % voor je al steigerend voorwiel op.
Hoe komt het toch dat hellingen in de Nederlandse taal een stuk minder aanmatigend klinken? De “Keutenberg” of “Dikkebuiksweg” doen niet direct denken aan weidse uitzichten of feeërieke panorama’s.
Het gevoel dat je in een door karrensporen gevormde toegang naar het achterland van de Ardennen begeeft bekruipt je al snel wanneer je vanuit het toeristische dorpspleintje direct een smal en nauw steegje induikt. Enkele fraaie haarspelden laten je al snel het dal van La Roche ontstijgen. Een blik naar links geeft nog een mooi uitzicht op de oude ruïne voordat je de weg richting de velden vervolgd .
de Haie des Loups (in de loop van de klim wordt de klimmer overigens op verschillende schrijfwijzen getrakteerd). Honderd meter na de rotonde sla je links de Rue du Cimétiere in. Weer honderd meter verder dwingt een splitsing je te kiezen: links aanhoudend rij je recht het kerkhof op (de poort staat vaak uitnodigend open); rechts de Wolvenhaag. Aanvankelijk lijkt de aanloop gemoedelijk, vooropgesteld dat je al in de buurt van de kleinste geschakeld staat, maar na honderd meter slaat de steilte je om de oren, aangewakkerd door een verkeersbord met een trotse vermelding van 18%. Links en rechts glijden vrijstaande huizen en groen bestruikte taluds voorbij, onder je wordt het wegdek per hectometer waalser, al heeft de beschaving ook hier toegeslagen. Om je te troosten komt de Haie je tot driemaal toe tegemoet met een kort plateau, net genoeg om de kuiten even tot bedaren te brengen. Twee kilometer na de rotonde beland je op het rommelige binnenpleintje van Romsee waar een rustige toeschouwer tussen de steegjes van aandoenlijke oudbouw van weleer kan genieten.
Adolphe Dumont , een dorpeling uit Nessonvaux die hier in 1914 op 43 jarige leeftijd in het bijzijn van zijn zoon door Barbaarse Duitse troepen werd vermoord. Door zijn brede en gecultiveerde karakter doet hij wat tammer aan maar de 9 % die het bordje in Romsee aangeeft blijft wel de volle twee kilometer duren. Eventuele overmoed op de eerste hectometers leidt met garantie naar een lager verzet. Wie wil weten hoe de gemiddelde glooiing van de Ventoux aanvoelt kan zich hier een keer of tien komen uitkuren.


De bon vivant die de terrasjes van Malmedy achter zich liet en daarin de richting koos van Bevercé, wierp zich daarmee in de armen van Vallé de la Warche, een valei zonder hoop op een uitweg. Dit zijn de momenten waar de verleiding van Hoegaarden die zoeven toesloeg met pijn betaald moest worden. Voor wie de straffe stijging van de Ferme Libert niet aandurft is er het alternatief van de doorgaande weg van Tros Marets. Laat deze omschrijving u niet misleiden daar deze letterlijk genomen mag worden. Deze weg gaat door… en door en door.
Ruim 11 kilometer aan hellend asfalt dat zich pas op Belgisch’ hoogste punt gewonnen geeft. Van Bevercé tot aan het Parc Naturel des Hautes Fagnes worden er hier bijna 350 hoogtemeters overbrugd. Hoewel de snelle rekenaar hier een gemiddelde van 3,3% aan toekent, ligt onderschatting op de loer. De meanderende weg vraagt in de eerste 4 kilometer het beste van de renner en is met een maximum van 16% geen sinecure. Hoewel het laatste deel van de klim, tussen Mont en het Signal de Botrange, uit vals plat bestaat, zijn deze laatste loodjes een heuse killer voor de bovenbenen. Eenmaal uit de luwte van de bossen rondom Mont slaat de wind en de zon haar slag op de open gronden van de Hautes Fagnes.
Het is de plek waar jaarlijks het kaf van het koren wordt gescheiden tijdens de razend populaire toerklassieker “Diekirch-Valkenswaard”, een tocht die standaard op de laatste zaterdag van augustus wordt verreden. Wie denkt dat het zwaartepunt van de charmante Ardennen zich in Luxemburg bevindt heeft het mis. De échte kuitenbijters luisteren maar naar één naam: Luik – of Liège voor de sjovinistische Waal. Luik kan gezien worden als pseudoniem voor het serieuzere Belgische klimwerk, de hellingen die wekelijks velen laten beseffen wat nou toch ook alweer het gevoel was van pure pijn. Afzien met een hoofdletter A. Wie heeft de sterkste kop? Wie geeft écht alles, met nog ietsje meer? Dat is de man die fietsend bovenkomt op de Thommerberg.
Ingesloten tussen de Voerstreek en de grote toegangswegen in het noord oosten van Luik ligt het Land van Herve. Een glooiend landschap waar de wind vrij spel heeft en de renner beschutting zoekt door, gebogen over zijn stuur, dicht langs de meidoornhagen te koersen.
Remouchamps is een knooppunt van de regio waar de E25 de Ambleve kruist. De torenhoge brug waakt over de vriendelijk ogende terrasjes waarop de toeristen meewarig de fietsers tellen die met een strak getrokken gezicht de richting van de Redoute inslaan. Aan de peilers van de brug licht er echter nóg een uitdaging. Als een terriër ligt Thier de Nonceveux in de aanslag om voorbijkomende gelukszoekers in de kuiten te bijten. Met een hellingspercentage van 26, waarbij het omhoogkijken de helm in je nek drukt, is deze klim niet voor de lafhartige fietser.
Wellicht had het kuitenbijtersteam deze klim aan zich voorbij laten gaan, waar het niet dat zij geprikkeld waren door Herman die deze klim met Hubris moest bekopen.
Vriendelijke weilanden sieren het grindpad alsof haar afgrond niet bestaat. Men is voorbij de poorten van de E25 en ontsnapt aan de vlijmscherpe tanden van terriër Thier. Herman, er is maar één lot… terugkeren en de grommende Angstgegner in de ogen kijken! Bijtende honden blaffen niet…