Rond de kerstdagen doet het team van Kuitenbijters.com traditioneel de binnenstad van Luik aan. Met haar sfeervolle kerstmarkt en een overvloed aan Kerstdelicatessen roepen de koude kasseien om een confrontatie. Veel hoogteverschil per vierkante kilometer en sprekende namen als Rue de La Seche, Rue Pireusse en vandaag; Rue Du Laveu!
Aan de voet van deze kuitenkraker ligt het station van Luik. Deels in aanbouw, zoals het Luik betaamt, ligt het moderne skelet als een wakende dinosauriër, grommend van aankomende en vertrekkende coupés. Daar waar een verloren toerist met haar koffers sleept, slepen wij ons zelfvertrouwen richting de Rue du Laveu.
De zondagochtenden zijn traag in het ’s nachts zo vibrante Luik. Als rookpluimen laten we wolkjes van gecondenseerde adem opstijgen wanneer we sur place de straatnaambordjes bestuderen. Het aanzicht van de heuvel verraad op het eerste zich niet de nr 7 van de ‘Kuitenbijters Zwaarste’. De routekapitein brengt soelaas door op een triviaal hellinkje te wijzen. Weliswaar getooid met kasseien, maar niet hetgeen we in ons geestesoog geschilderd hadden. “Hier overheen en dan aan het einde links!”, roept hij de voorlinie na. Rue du Laveu intimideert nog niet …..althans niet op haar eerste meters.
Haar aanloop is mild. Stukjes kasei, afgewisseld met verloren asfalt. Na de flauwe bocht toont zij haar ware aard. De meeste klimmers valt de baby blauwe moskee al niet meer op. Gemiste kans. Want hier zou een beleefde knik naar welke-god-dan-ook op zijn plaats zijn. Al was het maar om de moed te verzamelen die langs toeclips weg dreigt te vloeien. Al snel staat het hele gevolg op de pedalen. Een moskee, een bedevaart…en spieren die smeken om een suikerfeest. Op deze zondag roepen we álles aan. “Gauffre de sucre, Gauffre de sucre” mompel ik bij elke pedaalomslag. 20 procentpunten en het einde is nog niet in zicht! De vorst maakt het niet makkelijker. Op de steilste stukken worden we terug in het zadel gedwongen om een slippend achterwiel te vermijden. De voorste renners verraden het einde van deze beproeving met hun lyrische gejuich aan de top… althans de enkeling die niet in ademnood verkeerde.
Het uitzicht voor diegenen die over het stuur gebogen op hun kameraden wachten is dan ook magnifiek. De stad, de gedurfde architectuur en de pijn op de gezichten van je mederenners. Voldaan wordt de afdaling ingezet. Stapvoets waar gladheid op de loer ligt. Op Place du Lambert wacht warme chocolade met de aanbeden Gauffre de Sucre.



Wallonië telt bijna twee miljoen minder inwoners dan Vlaanderen; het grondgebied is dan weer iets groter. Desondanks zijn zeer in geslaagd 1700 km meer wegen aan te leggen dan hun Nederlandstalige landgenoten. ..
Als derde helling vanuit het gehucht Moulins-sous-Fleron is zij een niet te onderschatten spakenkraker naast haar grotere nichten Rue des Heids en Heid de Chene. Wie de Rue des Heids komt afgevlamd en niet schuin links omhoog de Heid des Chenes op wil kan aan de overkant van de weg schuin rechts omhoog. Linksom aanhoudend nodigt de Rue Guefosse nog even uit tot een krachtpatserij op de 42 maar bij nummer 97 wordt het steiler. Bij de verkeersspiegel wijst een scherpe rechterbocht met een binnenhellinkje van misschien wel 40% je direct terug naar de kleinere verzetten. Vanaf hier is het zo’n vijfhonderd meter stoempen tussen protserige nieuwbouw die de weg van onder tot boven omzoomt. Een mooie straat, die Leclercq, maar ga er niet voor de verdrukte vergezichten.
Waaraan moet een klim voldoen om de naam klim waard te zijn? Je kunt legio elementen aanhalen maar lengte en hellingsgraad zullen altijd genoemd worden. De kuitbeet moet voelbaar zijn. Een bultje van 30 meter aan 20 procent zal door weinigen als klim beleefd worden maar de Kennedybrug zal ondanks haar lengte ook geen punten opleveren voor het bergklassement. Maar moet een klim een aanloop hebben? Wat mij betreft niet per se. Een aanlooploos en tegelijk een der meest verborgen klimmetjes onder de rook van Wandre is de rue Fresart; een curiositeit die zich niet leent voor opname in een deftig parcours.
Jaarlijks wordt zij door honderden trimmers gepasseerd zonder zich prijs te geven. Zij leent zich dan ook uitstekend voor de truc van Bruyneel. Die vloog in de Tour van 1996 bij de afdaling van de Cormet de Roselend in een snelle linkerbocht pardoes het ravijn in. Live. De stem van de commentator stokte midden in de zin, de dood in de microfoon voelbaar tot diep in de huiskamer. Nog voor de versteende reporter zijn tekst hakkelend had teruggevonden was Bruyneel weer tot de levenden bekeerd, kroop gehavend op zijn mee omhoog gezeulde fiets en raasde verder de berg af. Vernauwd bewustzijn, zonder meer. De koers en niets dan de koers. Dokters? Na de finish graag. Een schitterend voorbeeld van de schoonheid van wielrennen versus de vadsigheid van voetballen. Waar voetballers minstens honderd gigabite over hebben om zich bij een val te beraden over het drama en theater op de grasmat, daar rest de renner bij een val hooguit de reflex van de achtervolging.
Straat van de Bergmennekes dus en daar is geen letter mee gelogen. Daar waar nu auto’s staan moeten vroeger paard en kar de steilte getrotseerd hebben; een wonder op zich. Tweehonderd meter na het begin van de Rue de la Xhavee sla je links steil omhoog een oprit in waarbij je de eerste keer al meteen gaat inschatten naar welke kant je het beste kunt omvallen. Maar veel ruimte om het antwoord te formuleren is er niet. De rue legt je direct een volgende keuze voor: in het midden van de straat staan ook huizen en je moet of links of rechts de smalle doorgang in.
De helling heeft zich ondertussen zonder scrupules met 22% aan je opgedrongen. Natuurlijk sta je op de pedalen, de enige manier om niet achterwaarts van je zadel te glijden. Als er niemand geparkeerd staat heb je geluk. Indien wel is de kans groot dat je je klem rijdt tussen de auto en de gevel. Eenmaal deze passage voorbij is het nog een honderd meter stuipen op de kleinste.
De aansluiting op de rechts liggende Xhavee en het vervolg ervan is ondanks zijn pittige stijgingsgraad een zalfje. Tot voor kort waren de laatste meters van de Montagnards volslagen ontdaan van verharding of asfaltering, gecombineerd met een voor deze streken voor de hand liggende stortplaats van de Locals. De gemeenteraadverkiezingen in oktober 2006 hebben voor een artificiële netheid gezorgd die in de komende zes jaar weer vanzelf naar zijn natuurlijke Waalse status zal evolueren. Boven aan de Xhavee kun je meteen links de Tesny afdenderen die in oktober ook al opnieuw geplaveid werd. Maar eerst afwachten hoe lang die riolering bovenaan nog open ligt.
Voorzichtig pedalerend over de vorst die na een aantal koude dagen langzaam uit de voegen van de straten zich een weg naar boven weet te vinden zetten we koers richting de binnenstad van Luik. Op zoek naar gaufres Liégoise en de chocolat chaud die ons halverwege de nodige brandstof moet geven en waar we in de luwte van de winter toch nog een paar voor ons onbekende klimmetjes van ons lijstje kunnen strepen.
Wij mogen het vandaag vanaf de andere kant proberen. De reserves blijven de eerste 500 meter gespaard tot het moment dat de waakhond in de bocht naar links aanslaat. Dat is het moment dat de moed je in de schoenen zakt en je de resterende 300 meter met een welgemeende “miljaar” begroet. Op de pedalen lanceer je onder de druk van de 23 procenten de fijne steentjes onder het rubber van je achterwiel vandaan. Het kleinste verzet kraakt als ijs dat zijn vuurproef krijgt en met open mond trek je aan de rubbers op het stuur. Boven vergeet je even uit te rijden en draai je je om om te zien waarom wij hier komen. Waalser dan dit krijg je het niet!
De plaatselijke clergie was bevoorrecht, maar dat helpt de eenzame fietser niet in zijn queste voor de top. Hoewel de helling minder steil is en er geen ‘bommetje’ op de laatste meters ligt, vraagt de klim om een technische rijstijl. Laverend, opzoek naar de beste gestraatte stenen. Soms het gootje, soms de afgesleten marges van het pad. Het is een mooie klim, waar het niet dat de uitzichten de renner onthouden zullen blijven. Zoals de ‘Sèche’ leent dit pad zich niet voor een afdaling. Klimmen is het devies!
In diverse toertochten en cyclosportieven worden de hellingen van Luik-Bastenaken-Luik aangedaan. Côte de Wanne, Stockeu en de Redoute zijn voor menigeen geen onbekende meer. Met een verbeten grimas waant men zich voor even een echte Rooks, Bettini of Valverde. Vaak achterblijvend met de verbazing dat het op het beeldscherm een stuk makkelijker uitziet dan in werkelijkheid. Een pittige 20% laat zich niet zomaar verorberen. De route is dan ook al een beetje uitgemolken en echte verassingen komt men hier niet meer tegen. Echter, een helling blijft voor menigeen een grote onbekende: Côte de Saint-Nicolas!
Langs de grote baan van Limbourg naar Verviers kan het zo maar gebeuren dat u een klein steegje, circulation locale, ontwaart die het de moeite van het verkennen waard maakt: “La Rampe de Renoupré” Het begin van de klim is het meest uitdagende van het gehele parcours. Vroeger moet het hier bezaaid zijn geweest met de geliefde Belgische kasseien.
De ‘vooruitgang’ heeft ook in dit gedeelte van Verviers haar intrede gedaan. Of hiervoor ook Europese subsidie is aangesproken valt te betwijfelen, daar de kasseien zijn vervangen door haar betonnen tegenhanger de betonklinker.Misschien iets minder rustiek en wat makkelijker in het vinden van een goede lijn bergopwaarts, niettemin vindt u hier wel het steilste gedeelte van de klim. Een ware 19% zal u op de trappers dwingen om met een sprintje de 2 hectometers met een gemiddelde van 15% te doen laten slechten.
Het restant van het parcours laat zich goed doen. In het begin-van-de-rest rijgen zich mooie haarspelden aaneen en stuurt u door een mooie bossage naar het dorpje Andrimont boven op de helling. Vanuit hier is de stad Verviers goed te omzeilen door een afdaling richting Dison alwaar Le Mont wacht om uw kuiten te doen kraken…
“Ik voel me niet zo lekker ………” Als ik om kijk zie ik het asgrauwe gezicht van mijn broer . Waar enkele luttele minuten geleden nog een gezonde blos op de wangen was te bespeuren, is deze nu verdreven. Enkele van de steilste hectometers van België hebben de bravoure aan de voet van de klim doen slinken tot twijfel waar we op deze zondagochtend toch in godsnaam mee bezig zijn.
Zeker toen we de gele pijlen ontwaarden van “Le Criq” welke recht voor de deur van ons appartement in Mierchamps liepen.
Na een ruime kilometer is het ergste achter de rug. Er zit zelfs nog een klein dalinkje in de klim om de nietsvermoedende coureur weer wat moed in de schoenen te schenken. Helaas…. ( of gelukkig) volgt er dan nog een tergende 1,5 kilometer aan gemiddeld 6% richting Hubermont .
Soms zijn regio’s zo verblindend mooi dat je jezelf constant betrapt op het rondrijden met een glimlach. Geen helling lijkt te zwaar en vanuit iedere hoek waait wind mee. Vriendelijke automobilisten die je geen strobreed in de weg leggen en strak gegoten asfalt. Een verademing van de Waalse gatenkaas welke we ieder weekend weer trotseren. Een fietserwalhalla pur sang….
In dit kleine paradijs is het goed mogelijk dat u geen enkele medecoureur zult treffen. Hoe bestaat het dat er rond de regio Valkenburg in file het grind wekelijks uit de wegen gereden wordt en er op slechts 30 minuten rijden een nirwana op ontdekking ligt te wachten, het is ons een raadsel.