Mt Ventoux, een berg zonder vrienden

“Mesure 61 sil vous plaite.”

De jongeman gekleed in een herkenbaar lichtblauw overhesje keek me bedenkelijk aan. “Viens avec moi.”

Met een kletterend geluid trok hij het rolluik van het magazijn omhoog en toonde hij mij zijn fietsen. Ik telde twee racefietsen. Of ik tevreden was met een maatje 57. Ik trakteerde hem op een even bedenkelijke blik. Zijn chef kwam erbij en informeerde ons dat zijn verhuurassortiment stopte bij maat 59. Prima, dan die zadelpen maar een eindje de lucht in. Hij liep naar de werkplaats en kwam een paar minuten later terug met een model waarmee Fignon de broodnodige seconden had kunnen afsnoepen van Lemond maar op dat moment nog net niet op de markt was, met de nadruk op net.

Mijn focus lag echter al op de dag die zou volgen, een eerste ontmoeting met de Mont Ventoux. Het deerde me dan ook niet dat het een aluminium exemplaar van het merk BH betrof. Het kader was niet voorzien van kant maar werd wel opgefleurd door een vierkante reflector op het stuur, een rood lampje bevestigd met een verweerd stukje rubber aan de zadelpen, plastic klimbeugels op de pedalen en een luchtbatterij van een formaat waarmee je een heuse aanslag kon plegen op een plaatselijk marktje. Eenmaal terug op de camping werd met een setje inbussleutels de zorgvuldig verzamelde wielerattributen te lijf gegaan. Het leken erfenissen van vorige huurders die net als mij niet over de wielercapaciteiten van Lucha Herrera beschikten, het zekere voor het onzekere namen en rekening hielden met een afdaling na zonsondergang. Na demontage schatte ik het restgewicht op een schamele 11 kilo. Pas toen merkte ik de werkelijke framemaat op, 54cm. Deze voldeed prima voor de gemiddelde Fransoos maar voor iemand van 1,97m was de zit toch net iets te compact.

Donderdag 20 juni.

Aangekomen op de plaats waar ik de strijd kon aanbinden blonk het witte carbon van de plaatselijke fietsverhuurders in de felle zonnestralen. Op dat materiaal werd een klimtijd boven de twee uur weggelachen en had ik het excuus voor een minder prestigieuse tijd gevonden. Ik draaide de kuiten in een paar zenuwachtige rondjes warm door de drukbevolkte straatjes van Bedoin. Na een tijdje werd de officiële startplek, het fonteintje op het pleintje, herkend. Stipt 12 uur ’s middags klikten de schoenen in de pedalen.

In mijn linkerooghoek nam ik de onmiskenbare zendmast bovenop de top waar. Bij het passeren van een wijngaard waar een filmploeg werkte aan beeldmatreiaal waarin de plaatselijke trots werd geprezen voelde ik de adem van de eerste 60+er met snode plannen al in mijn nek. Waar hij eerst een tijdje aan het achterwiel bleef plakken kwam hij even later langszij. Hij knikte vriendelijk maar ongeduldig en passeerde vervolgens vlot. Aan de hand van zijn gebruinde kuiten concludeerde ik dat een achtervolging zinloos was en hij verdween al snel uit het zicht. Ik bespaarde hem daarmee mijn letterlijke afgang want met nog geen drie kilometer op de klok zakte mijn zadel in een ruk tot op het frame. Beter nu dan 500 meter voor de finish was mijn tweede gedachte, de eerste bespaar ik jullie.

De tweede ontmoeting was van langere duur. Een dertiger gekleed in een gitzwart tenue van de wielerclub uit Scherpenheuvel en een teint die al de nodige fietskilometers verraadde, passeerde me langzaam in een te gemakkelijke tred. Ik waagde de sprong, haakte aan en begon het gesprek. Rustig vandaag, toch? Ja, men spaart zich voor de Kanibaal van morgen. Het bleek een koers te zijn die startte vanuit Sault. De goedgebekte Vlaams Brabander was zins de zware rit van de vorige dag die voerde over de in de mist genevelde top van de Ventoux te verteren met een rustig tochtje tot aan Chalet Reynard, zeven kilometer onder de top. Hij besloot om mijn tempo te volgen en vertelde breeduit over zijn fietsavonturen van de laatste jaren. Vorig jaar 20.000 kilometer op de klok en het jaar daarvoor nog 3.000 meer. De verhalen waren eindeloos en loodsten me haast ongemerkt door de eerste zware stroken van het bos boven Bedoin. Na een tijdje werden we door een bejaard stel zittend voor hun camper aangemoedigd met een paar goedbedoelde woorden: volhouden, het is nog maar even. Gezegend met een schrijnend gebrek aan parcourskennis vroeg ik om bevestiging aan mijn kompaan die me vertwijfeld aankeek. Hij zweeg. Ik richtte mijn blik tussen mijn benen door op de cassette en zocht tegen beter weten in naar resterende tandjes. Constant 10%, was zijn waarneming. Hij omschreef het als een voordeel in vergelijking tot de twee resterende kanten van de Ventoux. Hier weet ge waar ge aan toe zijt en houd ge uw ritme vast. Recupereren op vlakke stukken was voor een andere keer.

“Zijt ge de muur wel eens tegengekomen?”
“Geraardsbergen” , antwoordde ik?
Hij lachte, eten moet ge. Met een hand aan het stuur zocht ik een banaan die door de brandende zon week aanvoelde. Ik bood hem de helft aan. Hij sloeg mijn aanbod af.
“Deel nooit uw proviand, een wielrenner op de Ventoux kent geen vrienden.”
Ik knikte en begreep zijn boodschap.
“Wat is je naam eigenlijk?”
“Dirk, en de uwe?”

De hoge bomen aan weerszijden van de weg ontnamen ons het zicht op de top. Slechts enkele malen gaf het bos boven de kruinen van de bomen het eindpunt prijs. Ik richtte me op de gelijkgezinden voor ons die langzaamaan hun inspanningen moesten bekopen en laverend een weg zochten van schaduw naar schaduw. Op twee kilometer voor Reynard passeerden we de eerste ‘loper’. “Ca va?”, vroeg Dirk. “Oui, allé, allé” en hij wenkte met zijn hand, zonder ons een blik te gunnen, naar voren. De begroeiing werd dunner en Dirk besloot om zijn planning te herzien en samen de tocht naar de top te volbrengen. Chalet Reynard dook plots op en werd met een een glimlach op het gezicht tegemoet gereden. Hier vond de revatillering van een grote groep wielertoeristen plaats, maar niet voor ons. We namen genoegen met de eerste en na later bleek enige 50 meter vlak, hetgeen meer dan voldeed.

Uit verhalen meende ik me te herinneren dat door het verlaten van het bos het slechts een kwestie van uitbollen was tot aan de finish. Het sterkte mijn vertrouwen en staand op de pedalen die kraakten onder het gewicht begonnen we aan hetgeen leek op een tweede etappe in een totaal andere omgeving. Waar het uitzicht enkele kilometers daarvoor beperkt bleef tot groen blad, reikten nu de vergezichten over het vlak lijkende landschap van de Provence. Het duurde niet lang voordat aan de zijkant van de weg de eerste fotografen opdoken. “Vous etes ensemble?” Na enige aarzeling werd bevestigend geantwoord. De telelens zoomde in op een getekend gelaat waarvan de ogen prikten door het zweet dat zich onder de helm een weg naar beneden zocht. Dirk stak zijn hand uit en kreeg een kaartje aangereikt. Vanaf morgen te zien op het web werd ons nog nageroepen. Aan morgen durfde ik nog even niet te denken.

De brandende zon kreeg vat op de gebogen rug die inmiddels toe was aan een grondige revisie. Wellicht was een groter kader toch verstandiger geweest. Ik begon te twijfelen aan de verlossing die Chalet Reynard moest brengen. De stijgingspercentages zouden milder zijn maar de wegen die ver voor ons tegen de gruisgele rotsen plakten vertelden een ander verhaal. Ik betrapte me er zelf op dat het hoofd steeds vaker gebogen werd en nam de vale gekalkte teksten op het wegdek in me op. Eerdere passanten werden ermee herinnerd aan hun eigen voornaam aangevuld met een bemoedigende tekst. Tegemoet komende campers werden nog slechts opgemerkt door de reuk van gloeiende remschijven en rubber dat leek te branden op hun terugweg naar de voet. Een eind verderop merkte ik een dolende renner op die er een nog beperkter tempo op nahield. Waar hij eerder als een rode lap voor een stier zou dienen leek ik nu een eigen strijd te voeren tussen het hoofd en een paar vermoeide benen waarvan de spieren boven de knieën samentrokken zodra ik het waagde om op de trappers te gaan staan. “Wilt ge een foto bij het het gedenkteken van Simpson?” vroeg Dirk? Ik antwoordde niet en zocht met een knijpend oog naar zijn laatste rustplaats. Van wijlen Tommy was nog geen teken.

De weg en de afgrond werden gescheiden door metershoge palen. Dirk wist dat deze dienden als oriëntatiepunt voor de sneeuwschuivers die een maand eerder er nog hun werk mochten doen. Zonder deze herkenningspunten zouden de dienders hun weg naar beneden te snel vinden. Aan de nummers bovenaan de palen probeerde ik tevergeefs af te leiden hoe ver het nog was. Nog ruim tweehonderd hoogtemeters verklapte de gps van mijn metgezel. Overdreven veel dacht ik op te merken aan de zendmast die binnen handbereik leek. Een vertekend beeld bleek hetgeen ik pas erkende nadat ik de volgende bocht passeerde. De wankelende toerist kwam voor me nu wel heel vlug dichterbij. Deze werd aangemoedigd door familieleden die aan de zijkant van de weg hun plekje hadden gevonden. Dirk spoorde me aan hem nog even vlug te passeren maar verslikte zich vervolgens zelf in het kruipende achterwiel. Met een klap op zijn linkerzijde maakte hij kennis met het stoffige asfalt. “Gaat het?”, vroeg ik toen ik passeerde. “Jawel, gaat maar voort”, was de reactie terwijl enkel nog een schoen deel uitmaakte van zijn fiets. Zijn linkerarm vertoonde roze vlees maar al vlot zag ik hem achter me zijn weg toch enigszins verschrikt vervolgen. Verbeten nam ik de laatste binnenbocht met een lichte versnelling en reed ik de zoetigheden die te verkrijgen waren op het marktje naast de zendmast tegemoet. Pas toen ik er zeker van was dat de laatste hellende meter genomen was maakte ik rechtsomkeer en zocht ik met een beschamend gevoel mijn weg naar de gehavende Vlaming. Hij fietste me tegemoet en met een uitgestoken hand klapten we op de kilometers die achter ons lagen. Waar het lijf eerder nog zocht naar een restje energie kon de afdaling richting Malaucène met een flinke dosis andrenaline worden ingezet.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *